Eiser had tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht beroep ingesteld. De rechtbank had eerder een dwangsom opgelegd aan verweerder om binnen een termijn alsnog te beslissen. Dit beroep is opnieuw ingesteld voordat de dwangsom volledig was volgelopen.
De rechtbank overweegt dat volgens haar beleidslijn en recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is zolang de dwangsom uit de eerdere uitspraak nog niet is volgelopen op het moment dat het onderzoek wordt gesloten. Omdat de dwangsom pas op 20 mei 2022 zou vollopen en de uitspraak op 18 mei 2022 werd gedaan, is het beroep niet-ontvankelijk.
Verder oordeelt de rechtbank dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een inhoudelijke behandeling rechtvaardigen. De rechtbank wijst erop dat ondanks het niet verbeuren van dwangsommen, verweerder gehouden blijft de uitspraak uit te voeren en dat het risico op een nieuw beroep een prikkel moet zijn om tijdig te beslissen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst een vergoeding van proceskosten af.