Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Referentiewoning [adres 4]
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning centraal. Verweerder heeft de waarde van de woning per 1 januari 2020 vastgesteld op €391.000,- en heeft deze waarde als heffingsmaatstaf gebruikt voor de aanslag onroerendezaakbelasting. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €350.000,- voor.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de waarde aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van een vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen. Hoewel eiser aanvoert dat enkele referentiewoningen niet bruikbaar zijn vanwege grote waardeverschillen en verschillen in bouwjaar en onderhoud, oordeelt de rechtbank dat de Waarderingsinstructie geen bindende rechtsregel is en dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.
Daarnaast stelt eiser dat onvoldoende rekening is gehouden met gebreken en de matige onderhoudstoestand van de woning. De rechtbank stelt vast dat de woning op onderdelen als onderhoud en voorzieningen een 'matige' score heeft gekregen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze score te hoog is. De taxatiematrix weerspiegelt deze verschillen adequaat.
De rechtbank concludeert dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €391.000,- wordt ongegrond verklaard.