ECLI:NL:RBMNE:2022:2111
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen parkeerverbod aan even zijde straat na opheffing alternerend parkeren
Eiser maakte bezwaar tegen het verkeersbesluit van 23 januari 2020 waarbij het alternerend parkeren in een straat in de gemeente werd opgeheven en een parkeerverbod aan de even zijde van de straat werd ingesteld. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door verweerder, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het parkeerverbod noodzakelijk was vanwege verkeersveiligheid, het in stand houden van de weg en het voorkomen van overlast. Hoewel eiser en zijn buren aan de oneven zijde van de straat wonen waar het trottoir zeer smal is, weegt de rechtbank mee dat de woningen aan de even zijde dichter op het trottoir staan over een grotere lengte, waardoor het parkeerverbod daar het meest passend is.
Verweerder heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het parkeerverbod aan de even zijde is ingesteld en dat daarbij ook de belangen van eiser zijn meegewogen. Ook het argument over de nabijheid van een speeltuin aan de oneven zijde werd verworpen omdat er voldoende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen.
De rechtbank concludeert dat het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsruimte en dat de nadelige gevolgen voor eiser niet onevenredig zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het parkeerverbod aan de even zijde van de straat wordt ongegrond verklaard.