ECLI:NL:RBMNE:2022:2146

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
21/4515
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbWet waardering onroerende zakenECLI:NL:HR:2020:46ECLI:NL:RBMNE:2019:4833ECLI:NL:RBMNE:2019:4834
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-gebruikersbeschikking niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiser, huurder van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-gebruikersbeschikking van de gemeente waarin de waarde van de woning voor het belastingjaar 2021 was vastgesteld op €108.000. Eiser stelde dat de waarde lager moest zijn, namelijk €86.000. De gemeente handhaafde de beschikking en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde daarop beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of eiser als huurder procesbelang had bij het aanvechten van de WOZ-gebruikersbeschikking. Hoewel eiser belanghebbende is als gebruiker van de woning conform artikel 1:2 van Pro de Awb, betekent dit niet automatisch dat hij ook procesbelang heeft. Procesbelang vereist dat het instellen van beroep de eiser in een gunstiger positie kan brengen.

Eiser heeft geen bewijs geleverd van zijn huursituatie, zoals een huurovereenkomst, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij in een sociale huurwoning woont, wat relevant kan zijn voor het procesbelang. Op de zitting kon eiser dit niet aannemelijk maken. De rechtbank concludeerde daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van procesbelang.

De rechtbank sprak geen proceskostenveroordeling uit en wees erop dat tegen deze uitspraak binnen zes weken hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-gebruikersbeschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J.L.G. van Herk)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: R. Keeris).

Procesverloop

In de beschikking van 22 februari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 108.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020.
In de uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met een taxatiematrix overgelegd.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2022 door middel van een Teams-beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De WOZ-beschikking die in deze zaak wordt beoordeeld, is aan eiser als gebruiker van de woning toegezonden. De woning is een in 1982 gebouwd appartement met een berging. De woning heeft een inhoud van 142 m3.
2. In geschil is de waarde van de woning per 1 januari 2020. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 86.000,-. Verweerder handhaaft in beroep de door hem vastgestelde waarde.
3. Omdat verweerder de WOZ-beschikking aan eiser heeft gericht, is eiser daarbij belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 [1] . Het belang waarover wordt gesproken in artikel 1:2 van Pro de Awb moet echter worden onderscheiden van het procesbelang van een belanghebbende. Het procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van de procedure, wat hij met zijn bezwaar of (hoger) beroep wil/kan bereiken. Als iemand belanghebbende is betekent dat dus niet meteen dat iemand ook een procesbelang heeft. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of iemand procesbelang heeft. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat eiser dat niet heeft. Zij legt hierna uit waarom.
4. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang ontbreekt als het gebruiken van een rechtsmiddel een partij niet in een gunstiger positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.
5. Uit de uitspraken van deze rechtbank van 18 oktober 2019 [2] volgt dat in zaken waarin een WOZ-beschikking is gericht aan de huurder van een woning het procesbelang niet zonder meer kan worden aangenomen. In deze zaken zal steeds aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep de betrokken huurder in een gunstiger positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.
6. De rechtbank overweegt verder dat het aan degene is die bezwaar maakt of (hoger) beroep instelt om aannemelijk te maken dat hij procesbelang heeft. Een huurder kan onder omstandigheden een procesbelang hebben als het gaat om een sociale huurwoning (zie genoemde uitspraken van deze rechtbank van 18 oktober 2019), maar eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn huidige huursituatie door bijvoorbeeld een huurovereenkomst te overleggen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of eiser in een sociale huurwoning woont. Op de zitting heeft de rechtbank aan (de gemachtigde van) eiser gevraagd wat in dit geval het procesbelang van eiser is, maar die vraag heeft hij niet kunnen beantwoorden.
7. Dit betekent dat eiser niet aannemelijk maakt dat hij een procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat het instellen van beroep eiser niet in een gunstiger positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.
8. In beroep ontbreekt procesbelang. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

Voetnoten

2.ECLI:NL:RBMNE:2019:4833, 4834 en 4835.