ECLI:NL:RBMNE:2022:2358
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer door CBR
Eiser maakte bezwaar tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) door het CBR, opgelegd naar aanleiding van rijgedragingen die op 30 juli 2020 zijn vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig is ingediend, ondanks discussie over de datum van bekendmaking van het besluit. De rechtbank stelt vast dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 21 december 2020 is verzonden, waardoor de beroepstermijn pas op 11 maart 2021 begon en het beroep op 21 april 2021 tijdig was.
De rechtbank toetst vervolgens de inhoudelijke gronden van het beroep. Uit het proces-verbaal, dat op ambtsbelofte is opgemaakt, blijkt dat eiser herhaaldelijk gevaarlijk rijgedrag vertoonde. De verbalisanten hebben de identiteit van de bestuurder vastgesteld aan de hand van een RDW-foto en observaties ter plaatse. De stelling van eiser dat hij niet de bestuurder was en dat sprake zou zijn van etnisch profileren wordt niet onderbouwd en faalt. Ook de verwijzing naar ingetrokken Mulder-beschikkingen gericht aan zijn partner leidt niet tot twijfel aan de rechtmatigheid van de EMG.
De rechtbank concludeert dat het CBR terecht een EMG heeft opgelegd op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 14 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de EMG wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.