Eisers ontvingen een bijstandsuitkering die door verweerder op 18 oktober 2019 werd opgeschort vanwege het niet verstrekken van gevraagde gegevens. Na bezwaar maakte verweerder de opschorting ongedaan, maar verklaarde het bezwaar later niet-ontvankelijk. Eisers vorderden schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen, stellende dat zij rente moesten betalen over een doorlopend krediet en immateriële schade leden door stress.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende concrete en controleerbare bewijsstukken overlegden ter onderbouwing van hun financiële schade en niet aannemelijk maakten dat zij geestelijk letsel of aantasting van hun persoon hadden geleden. De enkele stelling van stress was onvoldoende.
Daarmee faalde het beroep. De rechtbank achtte het niet nodig om te beoordelen of het besluit onrechtmatig was. Eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Lenstra op 10 juni 2022.