Eiser vroeg in augustus 2020 een omgevingsvergunning aan voor het maken van een uitrit op zijn perceel. Het college weigerde aanvankelijk de vergunning, maar na bezwaar verleende het college de vergunning met twee voorwaarden: het opheffen van de bestaande uitweg aan de achterkant van het perceel en het aanleggen van de nieuwe uitweg op minstens twee meter van een boom.
Eiser was het niet eens met de voorwaarde om de bestaande uitweg op te heffen en stelde dat het college daartoe niet bevoegd was. Ook beriep hij zich op het vertrouwensbeginsel vanwege eerdere uitlatingen van het college. Het college heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de door het college aangevoerde weigeringsgrond voor de voorwaarde niet van toepassing was, omdat de aanleg van de nieuwe uitweg niet ten koste ging van een openbare parkeerplaats of openbaar groen. Gezien het limitatieve karakter van de weigeringsgronden kon het college de voorwaarde niet verbinden.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de voorwaarde betrof dat de bestaande uitweg moest worden opgeheven. De overige voorwaarden bleven in stand. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.