Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.INLEIDING
- [getuige] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers;
- [benadeelde 6] , bijgestaan door mr. S .Tromp.
- ‘ [PGP gebruikersnaam C 1] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam C 2] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam C 3] ’;
- ‘ [PGP gebruikersnaam C 4] ’.
vermoedelijk [C], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet.
- alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten;
- alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 14] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen;
- documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten.
2.TENLASTELEGGING
VOORVRAGEN,
OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE
. [1] De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst.
eigenverhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN
- [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 3 medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 4 medeverdachte 5] ’ en [PGP gebruikersnaam 5 medeverdachte 5] (deelonderzoek Goudvink);
- [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’;
- [medeverdachte 7] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 7] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 7] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam 3 medeverdachte 7] ’;
- [medeverdachte 11] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ en [medeverdachte 11] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’;
- [verdachte] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ en [verdachte] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’;
- [medeverdachte 8] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 8] ’;
- [medeverdachte 3] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’.
Liquidatie van [slachtoffer 2]
Verklaringen van [medeverdachte 1]
Onderbouwing van de verklaring van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen
Veredeling van ‘ [bijnaam medeverdachte 8] ’ en ‘de zoon van [bijnaam medeverdachte 8] ’
Betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij de vergismoord in [plaats]
Het inschakelen van [medeverdachte 5]
Het voorbereiden van de liquidatie
De liquidatie – forensisch onderzoek naar de aangetroffen hulzen op de plaats delict
Het verbranden van de vluchtauto
De uitbetaling
Het overnemen van de ‘BV’
Opdrachtgever achter de ‘BV’
De rol van [verdachte]
Uitlokken van de liquidatie
Het beoogde slachtoffer
Plaats van de voorgenomen moord
De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie
Gebruik van de PGP-telefoon door [medeverdachte 5]
Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus
Alternatief scenario
De rol van verdachten [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 10]
De aangetroffen chats
De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen
De rol van [verdachte]
directwas gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] werd aangehouden was van dergelijke handelingen nog geen sprake. Dit betekent dat er geen sprake is van een strafbare poging. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het primair tenlastegelegde.
De criminele organisatie
De deelnemers aan de criminele organisatie
deelneming aaneen organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor ‘deelneming’ voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd (zie Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225). Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben (zie Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651).
5.BEWEZENVERKLARING
- vuurwapens en
- gestolen auto’s
- het opzettelijk met voorbedachten rade een ander van het leven beroven zoals bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- voorbereiding daarvan zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht en
- het voorhanden hebben van wapens van de categorieën II en III en van munitie van categorieën II en III zoals bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BESLAG
atot en met
ebedoelde voorwerpen.
10.BENADEELDE PARTIJ
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
getuige. De benadeelde partij zou deze schade weliswaar niet hebben geleden als de moord niet zou hebben plaatsgevonden en hij derhalve niet de hoedanigheid van getuige zou hebben verkregen, maar dit gegeven is onvoldoende om de kosten in redelijkheid toe te rekenen (in de zin van artikel 6:98 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) aan de bewezenverklaarde moord.
“directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan”voldoende voor het vestigen van een aanspraak op schadevergoeding:
“Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden.”
het algemeenslechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
van de tenlastegelegde moordslechts in beperkte mate kunnen onderbouwen. Uit een verslag van een psycholoog blijkt dat in de zomer van 2021 een intake heeft plaatsgevonden bij een psycholoog en in dit verslag wordt melding gemaakt van PTSS en “problemen verband houdend met justitiële maatregelen”. Gelet op het tijdsverloop tussen de moord en deze intake en de vermelding van problemen die samenhangen met justitiële maatregelen, staat op basis van dit verslag onvoldoende vast dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld als gevolg van de moord. Dit maakt dat de rechtbank onvoldoende in staat is om in deze zaak naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel in rechte vast te stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
van de tenlastegelegde moordonvoldoende kunnen onderbouwen. Zij heeft stukken overgelegd van een bedrijfsarts waaruit blijkt dat zij arbeidsongeschikt is geraakt in de eerste helft van 2017 en waarin ook is vermeld dat zij contact heeft met haar huisarts. Op basis van deze informatie staat echter onvoldoende vast dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld als gevolg van de moord. Dit maakt dat de rechtbank onvoldoende in staat is om naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel in rechte vast te stellen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van de rechtbank
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
12.BELISSING
- verklaart [getuige] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 1.147,09, bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade af;
- verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.147,09 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 11.635,34, bestaande uit 1.635,34 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 11.635,34 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 131 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 6] toe tot een bedrag van € 19.200,- bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart [benadeelde 6] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 6] aan de Staat € 19.200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2017 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 216 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
- een voertuig, althans een auto, en/of
- een PGP-toestel en/of een telefoon en/of (een) (ander(e) (tele)communicatiemiddel(en),
- een of meer vuurwapens en/of
- een of meer (gestolen) auto’s en/of
- een of meer PGP telefoons
- een of meer PGP telefoon(s) en/of
- een bus (althans een vervoersmiddel) en/of
- telefoon(s)
- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en Pro/of artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht) en/of
- voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht), en/of
- het voorhanden hebben van en/of overdragen van één of meer wapens van de categorieën 1 en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie).