ECLI:NL:RBMNE:2022:2608
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen schorsing rijbewijs na THC-gebruik en opleggen rijgeschiktheidsonderzoek
Het CBR legde op 22 februari 2022 aan verzoeker een onderzoek naar rijgeschiktheid op en schorste zijn rijbewijs naar aanleiding van een proces-verbaal van 10 december 2021, waarin verzoeker verdacht werd van rijden onder invloed van THC. Verzoeker betwistte de metingen en het proces-verbaal, stelde dat hij niet onder invloed was en dat de bezwaarprocedure gebrekkig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid verplicht was het onderzoek op te leggen en het rijbewijs te schorsen. De combinatie van speekseltest, bloedonderzoek met een THC-gehalte van 5,7 microgram per liter en politie-waarnemingen vormde een voldoende vermoeden van rijden onder invloed.
Hoewel het CBR het proces-verbaal niet aan verzoeker had verstrekt in de bezwaarprocedure, was dit gebrek hersteld en niet benadeling van verzoeker gebleken. De belangen van verzoeker, die als zorgverlener en bezorger afhankelijk is van zijn rijbewijs, werden meegewogen, maar het belang van verkeersveiligheid woog zwaarder.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het CBR-besluit tot schorsing van het rijbewijs en opleggen van een rijgeschiktheidsonderzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.