Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
- een WW-uitkering van 1 april 2013 tot en met 24 mei 2015;
- een ZW-uitkering van 25 mei 2015 tot en met 19 februari 2017;
- een WIA-uitkering van 20 februari 2017 tot en met 31 juli 2019.
- bij besluit van 19 juli 2019 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser per 1 april 2013 ingetrokken, omdat het recht op die uitkering niet kan worden vastgesteld;
- bij besluit van 22 juli 2019 heeft verweerder geweigerd eiser per 23 februari 2015 een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser is niet verzekerd voor de ZW omdat hij geen recht had op een WW-uitkering;
- bij besluit van 23 juli 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een
- de jaarrekening van 2013: € 38.335,-;
- de jaarrekening van 2014: € 101.226,-;
- de jaarrekening van 2015: € 137.496,-.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover eiser in bezwaar ontvankelijk is geacht in zijn bezwaar tegen de herziening van de uitkeringen;
- verklaart in zoverre het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.277,-.