ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WW-uitkering en terugvordering wegens werkzaamheden in winkel dochter
Appellante ontving sinds 1 januari 2005 een WW-uitkering op basis van een 32-urige werkweek. Naar aanleiding van een anonieme melding stelde het Uwv een onderzoek in waaruit bleek dat appellante van 1 januari tot 15 juli 2007 ongeveer 12 uur per week werkzaamheden verrichtte in de winkel van haar dochter. Dit werd door appellante niet gemeld, waardoor haar uitkering werd herzien en onverschuldigd betaalde bedragen werden teruggevorderd. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van haar inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden als arbeid in het economisch verkeer moesten worden aangemerkt en dat de terugvordering terecht was. Wel stelde de rechtbank dat het Uwv de boete niet passend had vastgesteld en dat het besluit over de invordering ontbrak. In hoger beroep betwistte appellante dat haar activiteiten als arbeid konden worden gezien en stelde zij dat zij slechts moederlijke diensten verrichtte zonder vergoeding. De Raad volgde appellante hierin niet en bevestigde dat de activiteiten in een zakelijke context plaatsvonden en relevant waren voor haar WW-recht.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, maar dat de mate van verwijtbaarheid gering was vanwege de familieband en onduidelijkheid over de meldingsplicht. Daarom werd de boete herroepen. Het beroep tegen het besluit tot terugvordering werd ongegrond verklaard. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Herziening en terugvordering WW-uitkering bevestigd, boete herroepen wegens geringe verwijtbaarheid.