ECLI:NL:RBMNE:2022:2654
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens voldoende onderbouwing waardepeildatum
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning in geschil. De gemeente had de waarde per 1 januari 2020 vastgesteld op €491.000,-. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en voerde een lagere waarde van €452.000,- aan. De rechtbank toetste of de gemeente voldoende bewijs had geleverd dat de vastgestelde waarde overeenkomt met de waarde in het economisch verkeer.
De gemeente onderbouwde haar standpunt met een taxatiematrix waarin drie referentiewoningen werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde indexering van verkoopprijzen niet adequaat was, omdat het gebruikte indexcijfer gebaseerd was op gemiddelde WOZ-waarden en niet op daadwerkelijke verkooptransacties van vergelijkbare woningen. Desondanks vond de rechtbank dat de verstrekte verkoopgegevens, met name van woningen vlak voor de waardepeildatum, voldoende waren om de vastgestelde waarde te ondersteunen.
Eiser bracht ook het gelijkheidsbeginsel en de ligging van de woning aan als bezwaar, maar deze gronden werden niet ontvankelijk verklaard respectievelijk onvoldoende onderbouwd bevonden. De rechtbank concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.