1.2.De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 20 juni 2022 in het gebouw van de rechtbank op de locatie Utrecht.
Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- de advocaat van betrokkene;
- mevrouw [A] , psychiater.
Betrokkene was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.
De advocaat heeft verklaard betrokkene niet gesproken te hebben. De advocaat weet dat
betrokkene waarschijnlijk in het buitenland verblijft. Hij wijst de rechtbank op het arrest van
waarin de betrokkene in het buitenland verbleef. De Hoge Raad heeft uitgesproken dat de
rechtbank die zaak had moeten aanhouden.
De psychiater heeft verklaard dat de zorgmachtiging is voorbereid en aangevraagd toen
betrokkene nog met een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel was opgenomen.
Zij heeft betrokkene toen persoonlijk gesproken. Betrokkene had op dat moment wel
vrijheden en is naar huis gegaan om spullen op te halen die hij op de afdeling nodig zou
hebben. Hij is echter niet meer terug gekomen op de afdeling. Van de familie van betrokkene
heeft de psychiater gehoord dat hij eerst naar familie in Duitsland is gegaan en vervolgens
vandaar met het vliegtuig naar Turkije is vertrokken. De hoop is dat hij daar contact zal
opnemen met zijn Turkse familie.
Betrokkene is opgeroepen op zijn postadres, te weten [adres] te [plaats] , nu de
oproeping daar in ontvangst is genomen volgens de informatie uit Track and Trace.
Een ander adres van betrokkene is niet bekend. De rechtbank constateert op grond hiervan
dat betrokkene conform de wettelijke voorschriften is opgeroepen. Uit de gang van zaken
zoals beschreven door de psychiater constateert de rechtbank verder dat betrokkene, nu
terwijl hij op de hoogte was van de aanvraag om een zorgmachtiging, is vertrokken zonder
contactgegevens achter te laten. De rechtbank leidt daaruit af dat betrokkene kennelijk niet
bereid is om zich te doen horen over het verzoek dat nu voorligt.
Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat hier een andere situatie speelt dan in
de casus van het arrest waar de advocaat naar verwezen heeft. Er is hier dan ook geen sprake
van de situatie als beschreven in artikel 6:1, lid 3 van de Wvggz. De rechtbank zal de zaak
daarom niet aanhouden maar doorgaan met de beoordeling van het verzoek.