In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de voormalige bestuurders van [onderneming] BV aansprakelijk zijn voor het tekort van €87.006,52 in het faillissement van de vennootschap. De curator stelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de periode voorafgaand aan de verkoop van de aandelen, met name door het niet publiceren van de jaarrekeningen en het niet overdragen van de boekhouding.
De rechtbank stelt vast dat de publicatieplicht inderdaad is geschonden, wat een vorm van onbehoorlijke taakvervulling inhoudt. De curator slaagt echter niet in het bewijs dat ook de boekhoudplicht is geschonden, omdat de administratie naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk was en de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat dit anders was.
Hoewel de onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn, slaagt de bestuurder erin dit vermoeden te weerleggen. De rechtbank oordeelt dat het faillissement vooral is veroorzaakt doordat de koper de onderneming niet voortzette, maar de vennootschap gebruikte voor onverklaarbare financiële transacties, mogelijk witwassen en fraude. Ook het betwisten van vorderingen door de bestuurder en het ontbreken van aanwijzingen voor roekeloos handelen maken aansprakelijkheid niet aannemelijk.
De vorderingen van de curator worden daarom afgewezen. De curator wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten ten behoeve van de gedaagde partij. Het vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en op 29 juni 2022 in het openbaar uitgesproken.