Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 maart 2018
[naam 1] ,
Mr. [X]
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“ONDERNEMING IN DE VENNOOTSCHAP
grief Ikeert [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] de administratieplicht heeft geschonden. Volgens [appellant] wist hij niet dat [naam 2] een malafide persoon was. Onder de gegeven omstandigheden bestond voor hem geen reden om nader onderzoek te doen naar de persoon van [naam 2] , zodat hij ook niet behoorde te weten dat deze een malafide persoon was. [appellant] bestrijdt verder dat hij met een eenvoudig internetonderzoek in 2012 had kunnen vaststellen dat [naam 2] malafide was. Er was voor hem dan ook geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de administratie zou verdwijnen. Ten slotte voert hij aan dat ‘het behoren te weten dat een persoon malafide is’ onvoldoende is voor het aannemen van een schending van artikel 2:10 BW Pro.
Grief Islaagt derhalve. In verband daarmee heeft [appellant] geen belang bij
grief III, waarmee hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn stelling dat afgifte van de administratie geen belangrijke oorzaak van het faillissement is.
grief Ibrengt mee dat het hof in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep dient te onderzoeken of de vordering tegen [appellant] op de andere door de curator aangevoerde gronden moet worden toegewezen. De curator verwijst hiervoor bij memorie van antwoord, onder 27 naar de inleidende dagvaarding, onder 24-39, en de conclusie van antwoord in reconventie, onder 21-30. Aldaar zijn, behalve de in het kader van
grief Ireeds besproken boekhoudplicht, omstandigheden genoemd die volgens de curator onbehoorlijk bestuur opleveren, te weten:
- [appellant] was op geen enkele wijze op de hoogte van het malafide karakter van [naam 2] en kon dat ook niet zijn.
- De aandelenoverdracht is via de notaris verlopen die ook geen opmerkingen heeft gemaakt over het mogelijk malafide karakter van [naam 2] .
- [naam 2] heeft blijkbaar de aandelen weer overgedragen aan een derde, [naam 3] .
- Er is vervolgens blijkbaar door deze [naam 3] gehandeld met de B.V. waaruit belastingschulden zijn ontstaan die 20 keer hoger zijn dan de schuld ten tijde van de overdracht.
- Twee jaar na de overdracht is de B.V. failliet verklaard.
- De fraude had met elke willekeurige B.V. kunnen plaatsvinden. Een B.V. is zo opgericht en blijkbaar is de fraude vervolgens in één maand gepleegd, dus blijkbaar binnen de periode van één btw-aangifte en ten tijde van de derde bestuurder na [appellant] . Zowel voor het causaal verband als voor de “oorzaak van het faillissement” vormt het enkele feit dat de voormalige B.V. van [appellant] is gebruikt geen bewijs.
grief II, waarmee [appellant] klaagt dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het door hem gedane beroep op de in artikel 2:248 lid 4 BW Pro geregelde mogelijkheid van matiging van de vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid, heeft [appellant] bij deze stand van zaken geen belang. Het hof laat deze grief derhalve onbesproken.
Grief IVhoudt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een schuld aan de belastingdienst van € 541.856,-. Nu uit het voorgaande volgt dat de vordering van de curator tegen [appellant] niet wordt toegewezen, laat het hof deze grief bij gebrek aan belang onbesproken.
Grief Vhoudt in dat de rechtbank ten onrechte de reconventionele vordering heeft afgewezen. Aan deze vordering heeft [appellant] (kennelijk) ten grondslag gelegd dat de curator jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de vordering in conventie tegen hem in te stellen en daarvoor beslag te leggen. Deze onrechtmatigheid is volgens [appellant] gelegen in de omstandigheid dat de curator, zakelijk weergegeven, door het nalaten van voldoende voorafgaand onderzoek de procedure op lichtvaardige gronden heeft ingesteld en, ook toen hij op de hoogte was geraakt van de relevante omstandigheden, de procedure heeft voortgezet. [appellant] is van mening dat de vorderingen van de curator jegens hem nergens op gebaseerd zijn zodat zijn reconventionele vordering moet worden toegewezen.