ECLI:NL:RBMNE:2022:2774
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na WIA-beoordeling en geschil over medische geschiktheid
Eiseres was sinds mei 2017 ziek gemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Na afwijzing van haar WIA-aanvraag wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, werd haar ZW-uitkering per 3 juni 2020 beëindigd omdat het UWV haar geschikt achtte voor bepaalde functies. Eiseres betwistte dit en stelde dat haar klachten, met name toegenomen hand- en voetklachten, haar arbeidsvermogen verder beperkten.
De rechtbank onderzocht of het UWV de uitkering terecht stopzette, waarbij werd beoordeeld of de medische rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig en logisch waren. De primaire arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hadden geen fysiek onderzoek verricht, maar motiveerden dit vanwege de aard van de klachten en corona. De rechtbank vond dit voldoende gemotiveerd en niet onzorgvuldig.
De rechtbank concludeerde dat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten voor een afgenomen belastbaarheid per 3 juni 2020 ten opzichte van de WIA-beoordeling. De klachten pasten binnen het beeld van fibromyalgie en het chronisch pijnsyndroom, zonder dat dit leidde tot ongeschiktheid voor de passende functies. De deskundigenrapporten waren consistent en begrijpelijk.
Daarmee was het UWV terecht van oordeel dat eiseres geen recht meer had op ZW-uitkering vanaf 3 juni 2020. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 3 juni 2020.