Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
123 m2.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, die door de heffingsambtenaar van de gemeente was vastgesteld op €409.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €304.000,-. Verweerder handhaafde de vastgestelde waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix.
De rechtbank oordeelde dat verweerder met de taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De waarde was bepaald met een vergelijkingsmethode met referentiewoningen, waaronder appartementen uit hetzelfde complex, waarvan één recent was verkocht.
Eiser voerde tevens aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat zes van de twaalf identieke woningen lager waren gewaardeerd. De rechtbank stelde dat voor het slagen van een beroep op het gelijkheidsbeginsel meer dan de helft van de identieke woningen lager gewaardeerd moet zijn. Omdat slechts zes van de twaalf woningen lager waren gewaardeerd, kon het beroep niet slagen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €409.000,- wordt gehandhaafd.