Eiseres, een bedrijfsmatige importeur van gebruikte voertuigen, maakte bezwaar tegen door verweerder opgelegde betalingsverplichtingen voor voertuigregistraties. Na eerdere procedures en een proefprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak, nam verweerder in 2020 nieuwe besluiten waarin de bezwaren opnieuw deels ongegrond werden verklaard. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank constateert dat de beroepsgronden identiek zijn aan die van een eerdere zaak die de Afdeling bestuursrechtspraak reeds inhoudelijk heeft beoordeeld en afgewezen. Eiseres gaf geen nieuwe argumenten om het oordeel van de Afdeling te herzien, zodat de rechtbank het eerdere oordeel volgt en het beroep ongegrond verklaart.
Wel is vastgesteld dat de totale duur van de bezwaar- en beroepsprocedure de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden. Deze overschrijding wordt toegerekend aan verweerder vanwege onduidelijkheden in de rechtsmiddelenclausule en de daaropvolgende procedurele vertragingen. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder tot een schadevergoeding van € 500,- aan eiseres, naast vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter A.A.M. Elzakkers op 7 juli 2022 en bevestigt dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn, de inhoudelijke bezwaren van eiseres niet gegrond zijn.