Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna te noemen: verdachte
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,
11.BESLISSING
gevangenisstrafvan
drie maanden;
taakstrafvan
240 uren;
- ontzegtverdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
vijf jaar; - bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 7.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 72 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 478,-;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 7.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 72 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;