Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
- de spreekaantekeningen van [gedaagde sub 2] c.s.
2.De feiten
[gedaagden]
3.3. Het geschil
4.De beoordeling
498,00(2 punten x tarief € 249,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiseres (B.V.)], eigenaar van een landgoed, en [gedaagde sub 2] c.s., exploitanten van een zorgboerderij op dat landgoed. [eiseres (B.V.)] vordert inzage in financiële stukken om te beoordelen of sprake is van pacht, terwijl [gedaagde sub 2] c.s. stelt dat er een hoevepachtovereenkomst bestaat en eist dat deze schriftelijk wordt vastgelegd.
De rechtbank onderzoekt of de overeenkomst voldoet aan de definitie van pacht volgens artikel 7:311 BW Pro, waarbij het gebruik van onroerende zaken moet zijn voor bedrijfsmatige landbouw. Uit de feiten blijkt dat de zorgactiviteiten het hoofdkarakter vormen van de exploitatie, waarbij agrarische activiteiten ondergeschikt zijn en hoofdzakelijk dienen als middel voor de zorgverlening.
De financiële gegevens tonen dat circa 63% van de omzet afkomstig is uit zorggerelateerde activiteiten, terwijl agrarische omzet beperkt en niet substantieel is. Ook het gebruik van grond en vee is beperkt en niet gericht op winstgevende landbouw. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw en dus geen pachtovereenkomst.
De vorderingen van [eiseres (B.V.)] tot inzage in ontbrekende jaarstukken worden afgewezen wegens ontbreken van belang na deze beoordeling. De reconventionele vorderingen van [gedaagde sub 2] c.s. tot erkenning en schriftelijke vastlegging van pacht worden eveneens afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in proceskosten, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en oordeelt dat geen sprake is van een pachtovereenkomst wegens ontbreken van bedrijfsmatige landbouw.