De vennootschap onder firma [eiser] vordert betaling van een factuur van € 628,47 voor aanvangswerkzaamheden als bewindvoerder over het vermogen van [A (voornaam)]. De gedaagde, als opvolgend bewindvoerder, weigert te betalen wegens vermeende nalatigheid van [eiser] die financiële en psychische schade zou hebben veroorzaakt.
De kantonrechter stelt vast dat de vordering van [eiser] terecht is en dat gedaagde zijn verweren onvoldoende heeft onderbouwd. Uit eerdere beschikking blijkt dat de vergoeding aan [eiser] toekomt. De kantonrechter oordeelt dat de vermeende vertraging in het schuldsaneringstraject niet aan [eiser] kan worden toegerekend en dat gedaagde niet is ontslagen van zijn betalingsverplichting.
Daarnaast wordt de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim en de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten worden aan de zijde van [eiser] vastgesteld en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling hiervan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.