ECLI:NL:RBMNE:2022:3222

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
10 augustus 2022
Zaaknummer
9794674 \ AC EXPL 22-861
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur aanvangswerkzaamheden bewindvoerder toegewezen

De vennootschap onder firma [eiser] vordert betaling van een factuur van € 628,47 voor aanvangswerkzaamheden als bewindvoerder over het vermogen van [A (voornaam)]. De gedaagde, als opvolgend bewindvoerder, weigert te betalen wegens vermeende nalatigheid van [eiser] die financiële en psychische schade zou hebben veroorzaakt.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering van [eiser] terecht is en dat gedaagde zijn verweren onvoldoende heeft onderbouwd. Uit eerdere beschikking blijkt dat de vergoeding aan [eiser] toekomt. De kantonrechter oordeelt dat de vermeende vertraging in het schuldsaneringstraject niet aan [eiser] kan worden toegerekend en dat gedaagde niet is ontslagen van zijn betalingsverplichting.

Daarnaast wordt de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim en de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten worden aan de zijde van [eiser] vastgesteld en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling hiervan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 9794674 \ AC EXPL 22-861
Vonnis van 29 juni 2022
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiser] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: gerechtsdeurwaarders J. Hubers, mr. H.J.M. van der Manden en mr. B.C.H. Kolfschoten,
tegen
[gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [A],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6,
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting op 6 april 2022, waarin is opgenomen de mondelinge conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 5,
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting op 1 juni 2022, waarin is opgenomen de mondelinge conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.Waar gaat het over?

2.1.
Het vermogen van [A] (hierna: [A (voornaam)] ) staat onder bewind. Vanaf 9 oktober 2013 tot 6 december 2017 was [B] (hierna: [B] ) bewindvoerder. Bij beschikking van 6 december 2017 is [B] ontslagen en is [eiser] benoemd tot opvolgend bewindvoerder. Op 25 april 2019 is het bewind opgeheven. Op 23 november 2021 is [gedaagde] benoemd tot bewindvoerder.
2.2.
[eiser] heeft op 18 mei 2020 aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor de vergoeding van haar aanvangswerkzaamheden ter hoogte van € 628,47. [gedaagde] heeft die niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de factuur, de wettelijke rente vanaf 2 juni 2020 tot de dagvaarding (€ 22,31) en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 94,27). [eiser] heeft ook gevorderd dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt.
2.3.
[gedaagde] wil de factuur niet betalen omdat – kort gezegd – hij vindt dat [eiser] nalatig is geweest en [A (voornaam)] daardoor financiële en psychische schade heeft geleden.

3.De beoordeling

De factuur
3.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding van € 628,47 voor haar aanvangswerkzaamheden. Dat blijkt bovendien uit de beschikking van de kantonrechter van 6 december 2017.
3.2.
Volgens [gedaagde] heeft het schuldsaneringstraject bij [organisatie] voor de schulden van [A (voornaam)] vertraging opgelopen door [eiser] . De voormalig bewindvoerder [B] is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [A (voornaam)] en heeft dat overgemaakt aan [eiser] in plaats van aan [A (voornaam)] , aldus [gedaagde] . Het duurde volgens [gedaagde] even voordat [A (voornaam)] en hij daarachter kwamen. [eiser] heeft uiteindelijk het bedrag dat zij had ontvangen, aan [gedaagde] overgemaakt. [A (voornaam)] was echter in het kader van het schuldsaneringstraject verplicht om op een bepaalde datum een bedrag over te maken aan [organisatie] en dat is door het voorgaande niet gelukt, aldus [gedaagde] . Het gevolg daarvan is volgens [gedaagde] dat [A (voornaam)] anderhalf jaar langer een eigen bijdrage voor de schuldenregeling heeft betaald, naast de maandelijkse kosten van de bewindvoerder.
3.3.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] zijn stellingen geheel niet heeft onderbouwd, waardoor zijn verweer niet slaagt. Daarnaast is het volgende relevant.
3.4.
De kantonrechter heeft op 16 januari 2020 [B] veroordeeld tot betaling aan [A (voornaam)] van € 1.382,48, waaronder de vergoeding voor de aanvangswerkzaamheden van [eiser] ter hoogte van € 628,47. [eiser] heeft deze procedure aanhangig gemaakt in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [A (voornaam)] en deed datzelfde voor een aantal andere cliënten. Het bewind over het vermogen van [A (voornaam)] was al opgeheven op de datum van de hiervoor genoemde beschikking. [A (voornaam)] diende daarom zelf de veroordeling bij [B] te verhalen. Voor haar andere cliënten heeft [eiser] een betalingsregeling met [B] getroffen. In dat kader heeft [B] kennelijk op 11 mei 2020 eenmaal een bedrag van € 115,21 als aflossing op de vordering van [A (voornaam)] aan [eiser] overgemaakt. [eiser] heeft dat op 18 mei 2020 teruggestort naar [B] .
3.5.
Dat [eiser] meer geld van [B] heeft ontvangen en dat langdurig onder zich heeft gehouden, is niet gebleken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [eiser] slechts € 115,21 tijdelijk (één week) ten onrechte onder zich heeft gehad. Uit de beschikking van de kantonrechter van 16 januari 2020 en het feit dat [eiser] op dat moment geen bewindvoerder meer was, volgt dat het op de weg van [A (voornaam)] had gelegen om het bedrag bij [B] tijdig te innen ten behoeve van zijn schuldsaneringstraject bij [organisatie] . De wijze waarop [eiser] heeft gehandeld, vormt dus geen grondslag voor een schadevergoeding en ontslaat [gedaagde] evenmin van zijn verplichting om de vergoeding voor de aanvangswerkzaamheden van [eiser] aan haar te voldoen. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen.
3.6.
Omdat [gedaagde] de factuur van [eiser] niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Die bedraagt vanaf 2 juni 2020 (de datum van verzuim) tot de dagvaarding € 22,31. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.7.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 94,27 toegewezen.
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- rente vanaf 2 juni 2020 tot de dagvaarding

628,47
22,31
- buitengerechtelijke incassokosten
94,27
+
totaal
745,05
De proceskosten
3.9.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
107,22
- griffierecht
322,00
- salaris gemachtigde
248,00
(2 punten × € 124,00)
Totaal
677,22

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 745,05,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 677,22,
4.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2022.