ECLI:NL:RBMNE:2022:3421
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning in Utrecht
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de WOZ-waarde van zijn woning in Utrecht, vastgesteld op €393.000 voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser vordert een lagere waarde van €368.000 en stelt dat verweerder onvoldoende onderbouwing heeft gegeven, met name over de correcties tussen de woning en referentiewoningen.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet verplicht is stukken te overleggen die niet bestaan, maar dat de motivering van de waarde wel voldoende moet zijn. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd die vergelijkbare woningen bevat en rekening houdt met onderlinge verschillen, waarmee hij aan zijn bewijslast voldoet.
Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met gedateerde voorzieningen en de slechte staat van onderhoud. De rechtbank oordeelt dat de staat van voorzieningen met 'matig' is gewaardeerd en dat de onderhoudsstaat voldoende is, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat onderhoud op korte termijn noodzakelijk is.
Ook het bezwaar tegen de gehanteerde referentiewoning wordt verworpen, omdat het verschil in woonoppervlak niet zodanig is dat deze woning ongeschikt is als referentie. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen woningen en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €393.000 wordt ongegrond verklaard.