Eiseres, werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 2013 een WIA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een verzoek van de werkgever heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld, wat leidde tot een besluit tot beëindiging van de uitkering per 7 december 2020. Dit besluit werd later gewijzigd naar 4 augustus 2021.
De rechtbank beoordeelde of het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had eiseres beoordeeld via beeldbellen, maar de primaire arts had haar persoonlijk onderzocht. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de conclusies begrijpelijk en goed gemotiveerd. De klachten van eiseres werden niet onderschreven door medische onderbouwing.
De arbeidsdeskundige had drie functies voor eiseres geduid die zij kon verrichten, wat de mate van arbeidsongeschiktheid op 3,98% bracht, onder de grens van 35% voor een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.