ECLI:NL:RBMNE:2022:3514
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling
Bij besluit van 28 februari 2021 stelde de gemeente de WOZ-waarde van een woning vast op €1.021.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van maximaal €917.000,- voor. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is.
De gemeente onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, ook nadat een referentiewoning met vermeend slechtere voorzieningen niet werd meegenomen vanwege onvoldoende onderbouwing. De overige referentiewoningen waren vergelijkbaar en voldoende om de waarde te ondersteunen.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de gemeente in beroep gebruikte grondstaffels niet schriftelijk had overgelegd, wat een schending van artikel 8:42, eerste lid, Awb opleverde. Dit leidde tot een proceskostenveroordeling van de gemeente ten gunste van eiser, inclusief vergoeding van het griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de gemeente werd veroordeeld tot betaling van €1.518,- aan proceskosten en €50,- griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.