Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[opposant], te [woonplaats], opposant,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2022.
Rechtbank Midden-Nederland
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van opposant tegen het uitblijven van een dwangsombesluit door de heffingsambtenaar van de gemeente Soest. De rechtbank had het beroep op 23 november 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant de heffingsambtenaar niet in gebreke had gesteld. Opposant ging hiertegen in verzet.
Tijdens de zitting op 23 maart 2022 werd vastgesteld dat de uitspraak van 23 november 2021 niet op de vereiste wijze openbaar was gemaakt, aangezien deze niet op rechtspraak.nl was gepubliceerd maar alleen per post aan partijen was verzonden. Dit voldoet niet aan artikel 8:78 van Pro de Awb, waardoor het verzet gegrond werd verklaard en de eerdere uitspraak verviel.
De rechtbank oordeelde vervolgens dat het beroep inhoudelijk niet ontvankelijk was omdat opposant niet had voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, Awb. Hoewel opposant stelde dat hij de heffingsambtenaar al bij brief van 14 februari 2020 in gebreke had gesteld, was dit onvoldoende om een beroep op het uitblijven van een dwangsombesluit te rechtvaardigen. De rechtbank benadrukte dat voor elk afzonderlijk besluit een ingebrekestelling vereist is.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van € 541,- aan proceskosten wegens het gegrond verklaren van het verzet. Tegen de uitspraak over het verzet is geen hoger beroep mogelijk, wel tegen de uitspraak over het beroep binnen zes weken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Verzet gegrond verklaard wegens niet-openbare uitspraak, beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken ingebrekestelling dwangsombesluit, heffingsambtenaar veroordeeld tot proceskosten.