Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:3732

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 september 2022
Publicatiedatum
19 september 2022
Zaaknummer
UTR 21/2255-E
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering geschiktheid functie

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 september 2022 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres bezwaar maakte tegen een besluit van het UWV van 6 april 2021. In een eerdere tussenuitspraak was een motiveringsgebrek vastgesteld met betrekking tot de beoordeling van de geschiktheid van werkneemster voor de functie van Telefonist/medewerker callcenter (SBC-code 31574).

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het UWV een aanvullende motivering ingediend, gebaseerd op een rapport van arbeidsdeskundige De Valk. Deze concludeerde dat werkneemster wel voldoet aan het opleidingsniveau MBO-niveau 2, maar onvoldoende beheersing heeft van de Engelse taal op het vereiste niveau voor de functie. Hierdoor blijft de functie volgens het UWV terecht afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat het motiveringsgebrek met deze aanvullende motivering is hersteld. De stelling van eiseres dat zij niet overtuigd is van deze conclusie, is onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is gebleken dat de door het UWV verstrekte informatie over 56 SBC-codes voldoende is en dat eiseres niet concreet heeft aangegeven welke aanvullende informatie zij nodig heeft.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit vanwege het motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens wordt het griffierecht aan eiseres vergoed en wordt het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2022 in de zaak tussen

[eiseres] . te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.J.M. de Wit),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
(gemachtigde: mr. E. Witte).

Als derde-partij heeft deelgenomen [A] , werkneemster.

Inleiding

Op 28 maart 2022 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak [1] gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een geconstateerd motiveringsgebrek in het bestreden besluit van 6 april 2021 te herstellen.
Met de brief van 29 april 2022 heeft het Uwv in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Met de brief van 30 juni 2022 heeft eiseres hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 12 juli 2022.

Overwegingen

1. De beoordeling van dit beroep bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak ten aanzien van dit beroep heeft overwogen en beslist.
Geschiktheid voor de functie ‘Telefonist/medewerker callcenter’(SBC-code 31574)
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de motivering van het Uwv dat werkneemster niet aan de eis van MBO-niveau 2 voldoet en daarom de functie ‘Telefonist (centrale)/medewerker callcenter’ (SBC-code 31574) niet voor haar geschikt zou zijn, gebrekkig en onvoldoende inzichtelijk is.
3. Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een rapport overgelegd van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep De Valk van 25 april 2022. De Valk heeft daarin opgemerkt dat het eerdere standpunt dat voor de betreffende functie niet voldaan wordt aan de opleidingseis geen stand houdt. Werkneemster heeft in het verleden een VMBO-diploma behaald, waarmee zij wel voldoet aan het gevraagde opleidingsniveau MBO niveau 2 (richting niet belangrijk). De Valk heeft toegelicht dat voor de functie nog een aanvullende eis geldt, namelijk beheersing van de Engelse taal op eenvoudig niveau; gericht op boekingen en diensten. Na nader onderzoek, onder meer door het uitvragen bij werkneemster, heeft hij geconcludeerd dat werkneemster de Engelse taal onvoldoende beheerst voor het verrichten van boekingen en diensten. Dit betekent volgens De Valk dat werkneemster nog steeds niet (volledig) aan de gestelde opleidingseisen voor de functie ‘Telefonist (centrale)/medewerker callcenter’ (SBC-code 31574) voldoet. De functie is daarom volgens hem - wel op andere gronden - terecht verworpen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is met de aanvullende motivering het geconstateerde gebrek hersteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd en helder uiteengezet hoe hij tot zijn conclusie is gekomen. Wat uit zijn onderzoek naar voren is gekomen over de bij werkneemster beschikbare beheersing van de Engelse taal, komt ook overeen met de al eerder beschikbare informatie over de werkneemster. De enkele stelling van eiseres dat zij niet overtuigd is van de conclusie dat werkneemster niet in staat is deze functie te verrichten, is onvoldoende. Eiseres heeft daarbij uitsluitend gewezen op de functieomschrijving en de genoten opleiding. Zij heeft geen nader rapport overgelegd waaruit een onderbouwing voor haar standpunt kan worden afgeleid.
De beroepsgrond slaagt niet.
Informatie over de 56 SBC-codes
5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv opgedragen de door eiseres verzochte informatie over de functies met 56 SBC-codes te overleggen. Eiseres had op de zitting om die informatie verzocht om de overgelegde ‘notities functiebelasting’ te kunnen volgen en te zien waarom de functies met 56 SBC-codes (waarmee een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% kan worden berekend) niet passend zijn voor werkneemster en daarom niet zijn geselecteerd.
6. Het Uwv heeft op 29 april 2022 uitgebreide informatie over de 56 SBC-codes toegestuurd. De rechtbank heeft die informatie doorgestuurd naar eiseres. Eiseres vindt dat die informatie onvoldoende is om te controleren of de functies terecht zijn afgewezen.
7. De rechtbank is van oordeel dat gezien de door het Uwv overgelegde informatie eiseres onvoldoende concreet heeft gemaakt welke informatie nog ontbreekt en wat zij met de ontbrekende informatie wil bereiken.

Conclusie

8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege een gebrek in de motivering. Nu het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 360,-- vergoedt.
10. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.897,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 759,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 360,-- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.897,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.