ECLI:NL:RBMNE:2022:3853
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning voor belastingjaar 2021
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse plaats, vastgesteld op € 906.000,- voor het belastingjaar 2021. Verweerder handhaaft deze waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen worden gebruikt.
De rechtbank overweegt dat verweerder de waarde op juiste wijze heeft bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en perceelgrootte. De door eiser aangevoerde onduidelijkheden over de gebruiksoppervlakte worden door verweerder voldoende toegelicht en onderbouwd met een plattegrond en meting die het schuinaflopende dak in acht neemt.
Eiser betwist de vergelijkbaarheid van enkele referentiewoningen, maar de rechtbank stelt dat verweerder vrij is in de keuze van referentiewoningen en dat de gebruikte woningen voldoende vergelijkbaar zijn. Ook de door eiser genoemde alternatieve referentiewoningen leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder wordt wel verplicht het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden vanwege eerdere onduidelijkheden over de gebruiksoppervlakte.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 906.000,- wordt ongegrond verklaard.