Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2022 in de zaak tussen
[eiser] en [eisers] , uit [woonplaats] , verzoekers
[belanghebbende 1]en
[belanghebbende 2](vergunninghouders).
Rechtbank Midden-Nederland
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest heeft op 29 juni 2022 omgevingsvergunningen verleend voor de nieuwbouw van de linker- en rechterhelft van een twee-onder-een-kapwoning aan een adres in Soest. Verzoekers, wonend in dezelfde gemeente, maakten bezwaar tegen deze vergunningen en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed omdat de vergunninghouders schriftelijk hadden toegezegd geen bouwwerkzaamheden te starten voordat het college op het bezwaarschrift had beslist. Hierdoor traden geen onomkeerbare gevolgen op en ontbrak het spoedeisend belang.
Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Dit betekent dat zonder diepgaand onderzoek niet ernstig twijfel kon bestaan over de rechtmatigheid van de vergunningverlening. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Verzoekers kunnen een nieuw verzoek indienen als de vergunninghouders toch vergunningplichtige werkzaamheden starten of als zij het niet eens zijn met de beslissing op bezwaar en beroep instellen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunningen is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en afwezigheid van evidente onrechtmatigheid.