Eiseres ontvangt sinds juli 2008 een Aow-pensioen voor alleenstaanden en heeft ernstige gezondheidsproblemen. Haar kleindochter verleent mantelzorg en is op 27 oktober 2021 bij haar komen wonen. Voorafgaand aan de inwoning heeft de kleindochter contact gehad met de Sociale Verzekeringsbank, waarbij werd aangegeven dat het inwonen geen gevolgen zou hebben voor de Aow.
Desondanks heeft verweerder de Aow van eiseres vanaf november 2021 aangepast naar het gehuwden-tarief, met terugvordering van ontvangen bedragen. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat er sprake is van een mantelzorgrelatie zonder gezamenlijke huishouding en dat zij mocht vertrouwen op de eerdere toezegging.
De rechtbank oordeelt dat de toezegging van verweerder gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt dat de Aow niet zou worden gekort. De belangenafweging wijst uit dat het belang van eiseres zwaarder weegt dan het algemeen belang. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.