ECLI:NL:CRVB:2022:1156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herleving WW-uitkering na WAZO-uitkering op grond van vertrouwensbeginsel toegewezen
Appellante kreeg een WW-uitkering toegekend die eindigde op 29 maart 2020. Zij meldde zich op 13 januari 2020 ziek vanwege zwangerschapsklachten en kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf die datum, waarna haar WW-uitkering werd beëindigd. Het UWV kende vervolgens een WAZO-uitkering toe voor de periode van 1 april tot 10 juli 2020. Appellante vroeg herleving van haar WW-uitkering aan na afloop van de WAZO-uitkering, maar het UWV wees dit af op grond van artikel 43, derde lid, van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het wetsartikel dwingendrechtelijk is en appellante geen vertrouwen kon ontlenen aan de brief van het UWV. In hoger beroep stelde appellante zich op het standpunt dat zij op grond van de brief een gerechtvaardigde verwachting had dat haar WW-uitkering zou herleven. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een concrete, voorwaardelijke toezegging had gedaan die aan appellante was toegerekend en dat het vertrouwensbeginsel slaagt.
Hoewel het UWV belangen heeft om de wet strikt toe te passen, weegt in dit geval het belang van appellante, die geen vervangende uitkering ontving, zwaarder. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV de WW-uitkering per 10 juli 2020 moet laten herleven. Vergoeding van immateriële schade en een boete werden afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen de WW-uitkering per 10 juli 2020 te laten herleven.