De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 5 oktober 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het voorhanden hebben van 3,48 kilogram cocaïne en witwassen van ongeveer 36.515 euro en vreemde valuta. De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met haar echtgenoot betrokken was bij witwassen.
De rechtbank verwierp het bewijsuitsluitingsverweer van de verdediging en oordeelde dat het bewijs tegen verdachte voor het bezit van cocaïne en witwassen van twee geldbedragen (12.500 euro en 6.030 euro) onvoldoende was. Verdachte werd hiervoor vrijgesproken. Voor het witwassen van 18.000 euro, aangetroffen in een keukenkastje in een plastic tas met een opschrift, werd verdachte wel veroordeeld. De rechtbank vond dat verdachte wetenschap had van het geld en dat het afkomstig was uit een misdrijf gepleegd door haar medeverdachte.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar zorgtaken en kwetsbare gezondheid, en legde een gevangenisstraf van 90 dagen op waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het voorarrest werd in mindering gebracht. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
De strafrechtelijke kwalificatie betrof medeplegen van eenvoudig witwassen. Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld tot de opgelegde straf. De rechtbank baseerde zich op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.