ECLI:NL:RBMNE:2022:3990
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende gronden en belangenafweging
Verzoekster vroeg een voorlopige voorziening om gedurende zes maanden als urgent woningzoekende te worden behandeld, nadat haar aanvraag voor een urgentieverklaring was afgewezen door de gemeente Almere. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat verzoekster niet meer in een maatschappelijke opvang verbleef, een vereiste volgens de Huisvestingsverordening.
De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang vanwege de dreiging van dakloosheid van verzoekster en haar twee minderjarige kinderen. Verzoekster stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat de belangen van haar en haar kinderen niet adequaat waren meegewogen, onder verwijzing naar het IVRK en EVRM.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel er motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken in het primaire besluit zaten, deze door verweerder in het bezwaarproces hersteld kunnen worden. De belangenafweging in deze voorlopige fase gaf geen aanleiding om de voorziening toe te wijzen, mede omdat de gemeente een tijdelijke opvang zou faciliteren als verzoekster daadwerkelijk dakloos zou worden.
De rechtbank concludeerde dat het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij het verkrijgen van de urgentieverklaring in deze fase. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat verzoekster recht heeft op urgentie en het belang van de gemeente zwaarder weegt.