ECLI:NL:RBMNE:2022:4022
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €723.000
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een vrijstaande woning in een woonplaats, vastgesteld op €723.000 voor het jaar 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €584.000 voor. Verweerder heeft de waarde vastgesteld op basis van een taxatierapport met vergelijkingsobjecten en een gedetailleerde waardeberekening.
Tijdens de zitting is gebleken dat de taxateur van verweerder de waarde heeft bepaald door verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten te corrigeren voor tussentijdse waardeontwikkeling, deelwaarden van grond en bijgebouwen in mindering te brengen en een rekenprijs per vierkante meter van het hoofdgebouw vast te stellen. Eiser heeft de toegepaste correcties voor tussentijdse waardeontwikkeling en deelwaarden van grond niet betwist, maar wel de oppervlakte van het hoofdgebouw en enkele niet-gekwantificeerde kenmerken zoals ligging in de schaduw en isolatie.
De rechtbank oordeelt dat de taxateur terecht één meetinstructie (NEN2580) heeft gehanteerd voor het bepalen van de oppervlakten, waardoor de waardebepaling niet wordt vertekend. De door verweerder gehanteerde oppervlakte van 122 m2 wordt als plausibel beschouwd, ondanks het verschil met de door eiser aangevoerde 103 m2 volgens de BBMI. Ook acht de rechtbank de niet-gekwantificeerde kenmerken niet zodanig afwijkend dat de waarde moet worden aangepast. De stelling van eiser dat de kwalificaties in het taxatieoverzicht beter zijn dan in het eerdere taxatierapport, zonder toelichting, wordt niet gevolgd.
Gelet op deze overwegingen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde van €723.000 niet te hoog is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door eiser verdedigde lagere waarde te beoordelen en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €723.000 wordt ongegrond verklaard.