ECLI:NL:RBMNE:2022:408
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen NOW3-regeling wegens nihil-loonsom juni 2020
Eiser, exploitant van een kapsalon, vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de NOW3-regeling voor de vierde aanvraagperiode (januari-maart 2021). Het UWV wees de aanvraag af omdat de loonsom in juni 2020 nul euro bedroeg, wat volgens artikel 19 van Pro de regeling bepalend is voor de berekening.
Eiser voerde aan dat juni 2020 niet representatief was vanwege het vertrek van een werknemer en stelde dat april 2020 als referentiemaand moest gelden. De rechtbank oordeelde dat een nihil-aangifte gelijkstaat aan het bekend zijn van loongegevens, waardoor juni 2020 als referentie geldt. De regeling bevat geen hardheidsclausule om af te wijken van deze maand, behalve wanneer geen loongegevens over juni 2020 beschikbaar zijn.
De rechtbank verwees naar de parlementaire geschiedenis waarin de minister toelichtte dat afwijken van juni 2020 niet mogelijk is vanwege uitvoeringsrisico's en vertragingen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het UWV terecht heeft besloten geen tegemoetkoming toe te kennen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de NOW3-aanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de loonsom in juni 2020 nihil was en de regeling geen hardheidsclausule kent.