ECLI:NL:RBMNE:2022:417
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking wegens onjuiste objectafbakening en vaststelling nieuwe waarde
Eiser betwist de WOZ-waardes van vijf onroerende zaken die door de heffingsambtenaar zijn vastgesteld voor het belastingjaar 2020. De rechtbank oordeelt dat de objectafbakening onjuist is, omdat vier van de panden als één samenstel moeten worden gezien vanwege hun gestript casco-karakter. Hierdoor zijn de WOZ-waardes van deze panden te laag vastgesteld en vernietigt de rechtbank de beschikking voor deze vier panden.
Voor het vijfde pand, dat samen met een aangrenzend perceel is gekocht, is de waarde vastgesteld op basis van de aankoopprijs. Eiser betoogt dat deze waarde te hoog is omdat het pand volledig gestript en onbewoonbaar is. De rechtbank volgt dit standpunt en stelt de waarde schattenderwijs lager vast. Tevens wordt het tarief voor de onroerendezaakbelasting aangepast van niet-woning naar woning.
De rechtbank wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel af omdat eiser onvoldoende vergelijkbare objectkenmerken heeft aangevoerd. De rechtbank beveelt de heffingsambtenaar aan een nieuwe WOZ-beschikking te geven voor het juiste samenstel van panden en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, vernietiging beschikking en nieuwe WOZ-waarde vastgesteld met correct tarief.