ECLI:NL:RBMNE:2022:4176
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning in bestuursrechtelijke procedure
De zaak betreft een beroepsprocedure tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een tussenwoning te [woonplaats] voor het belastingjaar 2021. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €560.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020 en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting op. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €425.000,- voor.
De rechtbank behandelde de zaak op 5 augustus 2022 tijdens een mondelinge zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd en ondersteund door een taxateur. De rechtbank oordeelde dat verweerder met een taxatiematrix, gebaseerd op vergelijking met vier referentiewoningen uit dezelfde buurt, aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was.
Eiser voerde aan dat de staat van de woning gedateerd was en dat de referentiewoningen in betere staat verkeerden, maar gaf hiervoor geen onderbouwing. De rechtbank volgde daarom de kwalificaties van verweerder. De onderlinge waardeverhoudingen in de taxatiematrix toonden aan dat rekening was gehouden met verschillen in voorzieningen en staat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €560.000,- wordt ongegrond verklaard.