ECLI:NL:RBMNE:2022:422
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verschoningsverzoek gegrond wegens schijn van partijdigheid rechter
De verschoningskamer van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 4 februari 2022 het verzoek tot verschoning van een bestuursrechter behandeld. Het verzoek betrof een zaak over twee handhavingsverzoeken ingediend bij een bestuursorgaan in 2018 en 2020. Verzoekster, de bestuursrechter, stelde dat haar onpartijdigheid in het geding was vanwege de functie van haar broer bij dezelfde instantie.
De broer van verzoekster was werkzaam als functionaris bij het bestuursorgaan en was tijdelijk gedetacheerd bij een ander instituut. Beide handhavingsverzoeken vielen binnen het werkgebied van de afdeling waar haar broer werkzaam was, en hij kende medewerkers die bij de zaak betrokken waren. Verzoekster vreesde dat dit aanleiding kon geven tot twijfel aan haar onpartijdigheid.
De verschoningskamer oordeelde dat de schijn van partijdigheid voldoende aannemelijk was gemaakt. Dit oordeel is gebaseerd op het objectieve criterium dat ook de uiterlijke schijn van vooringenomenheid moet worden vermeden om het vertrouwen in de rechterlijke onafhankelijkheid te waarborgen. Daarom werd het verzoek tot verschoning gegrond verklaard.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor verschoningszaken en is onherroepelijk. De griffier werd opgedragen de beslissing toe te zenden aan verzoekster, de betrokken partijen, de teamvoorzitter van verzoekster en de president van de rechtbank.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter is gegrond verklaard wegens de schijn van partijdigheid.