Eisers verzochten gedeputeerde staten van Utrecht om een natuurvergunning in te trekken die in 2016 was verleend voor het wijzigen van een melkveebedrijf van koeien naar geiten. Volgens eisers was de vergunning niet realiseerbaar en moest deze worden ingetrokken om stikstofemissies te reduceren en natuurachteruitgang in Natura 2000-gebieden te voorkomen.
Gedeputeerde staten wees het verzoek af en handhaafde de vergunning. De rechtbank toetste dit besluit aan het toetsingskader van de Logtsebaan-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank stelde vast dat het niet gebruiken van de vergunning op zichzelf geen reden is voor intrekking en dat de vergunning an sich onaantastbaar is.
De rechtbank concludeerde dat de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend geen verslechtering van de natuurwaarden veroorzaken en dat intrekking geen passende maatregel is, mede omdat de vergunningplicht voor deze activiteiten sinds 2020 is vervallen. Intrekking zou zelfs kunnen leiden tot een hogere ammoniakemissie dan de huidige situatie.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, handhaafde de natuurvergunning en wees het verzoek tot intrekking af. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding.