ECLI:NL:RBMNE:2022:4396
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een tussenwoning in Utrecht centraal. Verweerder heeft de waarde per 1 januari 2020 vastgesteld op €567.000, terwijl eiser een lagere waarde van €526.000 bepleitte. Na bezwaar en het instellen van beroep heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld.
Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd met vier referentiewoningen in dezelfde buurt, die qua ligging, bouwjaar en uitstraling voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de verschillen tussen de woningen adequaat zijn meegenomen, onder meer door het hanteren van de laagste eenheidsprijs.
De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals het ontbreken van een rekenmodel bij KOUDV+L-factoren, het waardedrukkende effect van gedateerde voorzieningen, het afnemend grensnut bij grotere gebruiksoppervlakte en de keuze van referentiewoningen, worden door de rechtbank verworpen. De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling en dat het beroep ongegrond is. Er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €567.000 wordt ongegrond verklaard.