Eiseres ontving op 27 augustus 2021 een besluit tot toekenning van huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015. Na bezwaar en het uitblijven van een beslissing daarop, diende eiseres een beroep niet tijdig beslissen in. Verweerder nam op 29 juni 2022 alsnog een besluit op bezwaar (het bestreden besluit). Het beroep werd mede geacht tegen dit besluit gericht te zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, aangezien verweerder inmiddels had beslist. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €379,50.
Inhoudelijk betoogde eiseres dat het primaire en het bestreden besluit onrechtmatig waren omdat zij een resultaatgerichte maatwerkvoorziening bevatten zonder het aantal toegekende uren te vermelden, wat strijdig zou zijn met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Verweerder stelde dat het aantal uren wel herleidbaar was en dat het bestreden besluit dit verduidelijkte.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit een aanvullende motivering bevatte die het aantal uren verduidelijkte zonder de strekking te wijzigen en dat verweerder niet verplicht was het primaire besluit te herroepen. Omdat eiseres haar beroep niet gemotiveerd onderbouwde, werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank benadrukte dat het in de toekomst wenselijk is dat verweerder het aantal toegekende uren al in het primaire besluit vermeldt, mede gezien de kwetsbaarheid van de doelgroep en de onduidelijkheid die nu ontstond. De rechtbank wees erop dat het zorgplan niet gelijkgesteld kan worden met een besluit tot toekenning van een Wmo-voorziening.