Verzoeker, met beperkingen door astma, COPD en andere klachten, ontving huishoudelijke ondersteuning op basis van de Wmo 2015. Het college verstrekte deze ondersteuning als een maatwerkvoorziening gericht op te behalen resultaten, zonder concreet aantal uren vast te leggen. Verzoeker betwistte deze werkwijze en vorderde een duidelijkheid over de omvang van de ondersteuning.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het leveringsplan voldoende inzicht gaf in de uitvoering. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het college onvoldoende heeft geconcretiseerd hoeveel uren ondersteuning verzoeker ontvangt, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden. Het college heeft niet aangetoond dat de activiteiten en frequenties in het leveringsplan leiden tot een schoon en leefbaar huis.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het eerdere besluit, en bepaalt dat verzoeker recht heeft op 5,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week, rekening houdend met de COPD-klachten. Het college krijgt ruimte om de ondersteuning in de toekomst aan te passen binnen wettelijke kaders. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.