Eiser kreeg op 18 augustus 2021 zijn jachtakte ingetrokken door de korpschef van Midden-Nederland, omdat er aanwijzingen waren dat hij het bezit van wapens en munitie niet langer kon worden toevertrouwd. De minister handhaafde dit besluit na administratief beroep. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank, stellende dat er geen vrees voor misbruik was en dat zijn handelen binnen het gedoogbeleid van Amsterdam viel.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat er aanwijzingen waren dat het bezit van wapens en munitie niet langer aan eiser kon worden toevertrouwd. Dit was gebaseerd op processen-verbaal waaruit bleek dat eiser op 14 juli 2021 cocaïne had gekocht en eerder drugs gebruikte. De rechtbank verwierp het argument van eiser dat het geseponeerde feit en geringe hoeveelheid cocaïne het vertrouwen niet aantasten.
De rechtbank stelde dat de intrekking van een jachtakte een maatregel is ter bescherming van de samenleving en geen straf. Er is geen ruimte voor belangenafweging omdat de wet dwingend intrekking voorschrijft bij twijfel aan betrouwbaarheid. Eiser kon onvoldoende aantonen dat de gevolgen van intrekking onevenredig waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit bleef in stand.