ECLI:NL:RBMNE:2022:4674

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
UTR 22/1357
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over duurzaamheid volledige arbeidsongeschiktheid en IVA-uitkering

Eiser, werkzaam als monteur/APK keurmeester, meldde zich op 25 februari 2019 ziek en vroeg na twee jaar een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,75%, later verhoogd naar 80-100% na bezwaar. Eiser wilde echter een IVA-uitkering voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten.

De kern van het geschil was of de volledige arbeidsongeschiktheid van eiser duurzaam was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde dat de beperkingen niet duurzaam waren vanwege mogelijke verbetering door therapie en behandeling. De rechtbank oordeelde dat deze motivering onvoldoende concreet en toegespitst was op eiser, wat een motiveringsgebrek opleverde.

Het aanvullende rapport van de verzekeringsarts in beroep gaf wel voldoende inzicht in de verwachte behandelresultaten en mogelijke verbetering. De rechtbank volgde dit oordeel en concludeerde dat het UWV terecht aannam dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Het beroep werd gegrond verklaard vanwege het motiveringsgebrek, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege een motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1357
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.B. Doganer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [bedrijf] , te [plaats] ,

(gemachtigde: mr. N.W.J. van der Stokker-Welsink).

Inleiding

Eiser heeft geen toestemming gegeven voor het verstrekken van zijn medische gegevens aan zijn werkgever. In deze uitspraak zal daarom in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiser om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Eiser werkte als monteur/APK keurmeester voor gemiddeld 39,77 uur per week bij [bedrijf] Op 25 februari 2019 heeft hij zich ziek gemeld. Na twee jaar ziekte heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het eerste primaire besluit van 9 juni 2021 heeft het Uwv aan eiser vanaf 22 februari 2021 een WIA-uitkering toegekend waarbij het arbeidsongeschiktheids-percentage op 40,75% is vastgesteld. Daarnaast heeft het Uwv in het tweede primaire besluit van 25 juni 2021 een werkplan met afspraken opgesteld.
Eiser was het hier niet mee eens en heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 21 januari 2022 heeft het Uwv het bezwaar tegen het eerste primaire besluit gegrond verklaard en is het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 22 februari 2021 gewijzigd naar 80-100%. Het werkplan is gewijzigd, in die zin dat het arbeidsongeschiktheidspercentage op 100% is vastgesteld. Verder heeft het Uwv de in bezwaar door eiser gemaakte proceskosten aan hem vergoed.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2022 op zitting behandeld. Namens eiser was daarbij zijn gemachtigde aanwezig samen met haar medewerker [A] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich voor de zitting schriftelijk afgemeld.
Op 23 en 25 oktober 2022 heeft de gemachtigde van eiser per e-mail aanvullende medische stukken aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft op de zitting al beslist om deze stukken niet toe te laten wegens strijd met de goede procesorde. Deze stukken zijn binnen tien dagen voor de zitting en dus te laat binnengekomen. [1] Door de te late indiening zeer kort voor de zitting was er onvoldoende gelegenheid voor het Uwv, maar ook voor de rechtbank, om hierop adequaat te kunnen reageren.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 januari 2022;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eiser.

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat zijn beroep alleen is gericht op de WIA-uitkering en niet ook op het werkplan. Partijen zijn het met elkaar eens dat eiser per 22 februari 2021, de datum waar het hier om gaat, volledig arbeidsongeschikt is. Eiser wil in plaats van een WIA-uitkering een IVA-uitkering voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten. Waar het in deze zaak dus om gaat is of het Uwv ervan mocht uitgaan dat die volledige arbeidsongeschikt niet duurzaam was.

Wat vindt de rechtbank?

2. Eiser stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte heeft aangenomen dat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens eiser zijn de aangenomen beperkingen als gevolg van meerdere aandoeningen duurzaam. Gezien zijn medische toestand is eiser duurzaam niet meer in staat om enige arbeid te verrichten. Volgens eiser valt niet te verwachten dat daar in de toekomst nog enige verbetering in zal optreden.
3. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt in haar rapport van 18 januari 2022 dat de aangenomen beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 18 januari 2022 niet duurzaam zijn. Met de nu ingestelde therapie voor de mentale klachten van eiser en eventueel toekomstige aanvullende behandeling(en) voor zijn fysieke klachten, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog een substantiële verbetering van de belastbaarheid in de eerstkomende twee jaren te verwachten.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het ontbreken van duurzaamheid niet voldoende concreet en op eiser toegespitst onderbouwd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de hoogste bestuursrechter op het gebied van sociale zekerheidszaken) die strenge eisen stelt aan de motivering van het oordeel dat de belastbaarheid naar verwachting nog zal verbeteren. [2] Het enkel verwijzen naar het gegeven dat er nog een behandeling plaatsvindt is onvoldoende. Daaruit blijkt namelijk niet wat het te verwachten resultaat is voor de klachten en beperkingen van eiser. En ook is niet duidelijk wat de gevolgen van dat resultaat zullen zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling van de duurzaamheid daarom te kort door de bocht gegaan. Op de zitting heeft het Uwv dit ook erkend. Er is dan ook sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
5. In beroep heeft het Uwv een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 mei 2022 ingebracht. Om het geschil definitief te beslechten, zal de rechtbank beoordelen of met het aanvullend rapport nu wel voldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom de volledige arbeidsongeschiktheid op 22 februari 2021 (de datum in geding) niet duurzaam is.
6. De rechtbank vindt van wel en geeft hiervoor de volgende redenen. In het rapport van 25 mei 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk uiteengezet tot welke resultaten de behandelmogelijkheden van eiser kunnen leiden en welke beperkingen van eiser daarmee kunnen verbeteren. Deze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen verwachting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebaseerd op de medische situatie van eiser die gold op 22 februari 2021. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in haar standpunt dat verbetering van de belastbaarheid door behandeling van de klachten zal kunnen optreden.
7. De stellingen van eiser over de duurzaamheid van de beperkingen zijn niet onderbouwd met nieuwe medische informatie die ziet op 22 februari 2021. Zonder die nadere medische onderbouwing, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling over de duurzaamheid van de beperkingen. Eiser heeft op de zitting nog een bewijsaanbod gedaan om alsnog medische stukken in te brengen. Aan dit gedane bewijsaanbod gaat de rechtbank voorbij. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om de betreffende stukken in een eerder stadium van de procedure te overleggen.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank concludeert dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser komt dan ook niet in aanmerking voor een IVA-uitkering. Gezien wat onder punt 4 is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2022 door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:257.