Appellant, voormalig bankwerker/lasser, meldde zich in 2010 ziek met klachten als gevolg van Q-koorts. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van circa 66,84%. Na diverse besluiten en herbeoordelingen bleef het UWV van mening dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt was en weigerde een IVA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en beval een nieuw onderzoek. Het UWV stelde daarop een nieuwe beoordeling op waarbij de arbeidsongeschiktheid werd verhoogd, maar duurzaamheid werd ontkend vanwege mogelijke behandelmogelijkheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar appellant ging in hoger beroep.
In hoger beroep stelde appellant dat de beperkingen duurzaam waren, gesteund door een multidisciplinaire richtlijn van het RIVM over Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS). De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie (CGT) en graded exercise therapy (GET) een reële kans op herstel boden. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellant recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 2 april 2015.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten, maar wees de vergoeding van kosten voor het opstellen van het bezwaarschrift af omdat dit niet onder de proceskostenregeling valt.