ECLI:NL:RBMNE:2022:4737
Rechtbank Midden-Nederland
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-waarde en proceskostenveroordeling wegens onvoldoende onderbouwing indexering
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2021, die door verweerder is vastgesteld op €381.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder handhaaft deze waarde in bezwaar, waarna eiser beroep instelt bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelt of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder baseert zich op de vergelijkingsmethode met een taxatiematrix, maar heeft onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop de indexering van verkoopcijfers is toegepast. De rechtbank oordeelt dat de onderbouwing van de indexering ontbreekt, waardoor de gecorrigeerde verkoopprijzen niet als bewijs kunnen dienen.
De rechtbank stelt vast dat de verkoopcijfers van referentiewoningen die vlak na de waardepeildatum zijn verkocht wel bruikbaar zijn, maar dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de hogere prijs per kubieke meter van eisers woning gerechtvaardigd is door een hoger doelmatigheidsniveau. Eiser slaagt er ook niet in zijn lagere waarde van €318.000,- aannemelijk te maken.
Daarom stelt de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €355.000,- en vernietigt de uitspraak op bezwaar. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, inclusief het griffierecht en taxatiekosten.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €355.000,- en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.