ECLI:NL:RBMNE:2022:4860
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: WOZ-waarde woning per 1 januari 2020 voldoende onderbouwd
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van de woning van eiser per 1 januari 2020 vastgesteld op €1.565.000,-. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde voor. De rechtbank beoordeelt of de vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economisch verkeer.
De waarde is bepaald via de vergelijkingsmethode, waarbij de woning is vergeleken met vijf referentieobjecten in de omgeving die qua bouwjaar, kwaliteit en uitstraling voldoende vergelijkbaar zijn. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd en toegelicht dat rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen. Eiser voert onder meer aan dat verweerder in beroep andere referentiewoningen heeft gebruikt dan in bezwaar en dat de oppervlaktematen onjuist zijn.
De rechtbank oordeelt dat verweerder vrij is in de keuze van referentiewoningen en dat de taxatiematrix voldoende inzicht geeft. De door eiser overgelegde meetrapportage bevestigt dat de woning groter is dan verweerder uitging, wat de vastgestelde waarde niet ondermijnt. Ook de vergelijking met een mogelijk bedrijfspand wordt weerlegd door de taxateur. De vergelijking met WOZ-waarden van naastgelegen woningen is niet geschikt om de waarde te betwisten.
De rechtbank concludeert dat verweerder de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.565.000,- wordt ongegrond verklaard.