ECLI:NL:RBMNE:2022:4941
Rechtbank Midden-Nederland
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke procedure over WOZ-waarde en proceskostenveroordeling
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning centraal. De gemeente had de waarde vastgesteld op €373.000, terwijl eiser stelde dat deze niet hoger mocht zijn dan €345.000. De rechtbank oordeelde dat de gemeente niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede vanwege onvoldoende onderbouwing met vergelijkbare woningen en onduidelijkheid over het toegepaste waardegebied in de grondstaffel.
De rechtbank stelde de waarde schattenderwijs vast op €365.000. Daarnaast werd geoordeeld dat de gemeente in de bezwaarfase niet voldeed aan haar informatieplicht op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ door onvoldoende inzicht te geven in de grondstaffel en het waardegebied. Ook werd de verplichting uit artikel 8:42 Awb Pro geschonden doordat het taxatieverslag niet aan de rechtbank was verstrekt.
Als gevolg van deze procedurele tekortkomingen werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van eiser, die werden vastgesteld op €2.056,-, en werd het betaalde griffierecht van €50,- aan eiser vergoed. De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraak op bezwaar en leidt tot een aangepaste aanslag onroerendezaakbelasting.
Uitkomst: De WOZ-waarde werd vastgesteld op €365.000 en de gemeente werd veroordeeld in proceskosten wegens schending van informatieverplichtingen.