ECLI:NL:RBMNE:2022:4942
Rechtbank Midden-Nederland
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €260.000 wegens onvoldoende onderbouwing verweerder
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een woonplaats. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op €266.000, maar eiser stelde dat deze niet hoger mocht zijn dan €241.000. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport en vergelijkingen met vier referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Met name ontbrak het inzicht in het gehanteerde indexeringspercentage voor de waardeontwikkeling van de in 2020 verkochte referentiewoningen. Verweerder kon deze gegevens niet tijdig overleggen, waardoor de verkoopcijfers van drie referentiewoningen niet bruikbaar waren. Eén referentiewoning uit 2019 was onvoldoende om de waarde te onderbouwen.
Eiser had zijn lagere waarde van €241.000 niet onderbouwd. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €260.000. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder de grondstaffel niet voldoende inzichtelijk had verstrekt en het taxatieverslag niet aan de rechtbank had overgelegd, wat schendingen van artikel 40 Wet Pro WOZ en artikel 8:42 Awb Pro opleverde.
Gelet op deze procedurele en inhoudelijke tekortkomingen veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser en bepaalde zij dat verweerder het betaalde griffierecht moest vergoeden. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €260.000 en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.