ECLI:NL:RBMNE:2022:4945
Rechtbank Midden-Nederland
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een tussenwoning centraal. Eiser betwist de door verweerder vastgestelde waarde van €280.000 en stelt een lagere waarde van €262.000. Verweerder handhaaft de waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix van vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum 1 januari 2020. De gebruikte indexatie is onduidelijk en onvoldoende onderbouwd, waardoor de waarde niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en verklaart het beroep gegrond.
Eiser heeft zijn lagere waarde onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt daarom de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €275.000. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak leidt tot een vermindering van de aanslag OZB.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €275.000 en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.