Op 5 januari 2019 heeft verdachte te Utrecht een bedrag van 5.000 euro witgewassen door het verhullen van de herkomst en rechthebbende van het geld, afkomstig uit een misdrijf. Verdachte bekende dit feit tijdens de terechtzitting van 14 november 2022. De rechtbank acht het bewezen dat verdachte zijn bankrekening ter beschikking stelde voor het storten van 9.000 euro afkomstig van diefstal en hiervan 5.000 euro contant maakte.
De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden en dat verdachte reeds een langdurige gevangenisstraf van 40 maanden had gekregen voor een ander feit. De rechtbank hield rekening met deze omstandigheden en besloot geen straf op te leggen, ook niet voorwaardelijk, conform artikel 9a Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partijen vorderden immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk omdat onvoldoende concreet was onderbouwd dat zij geestelijk letsel hadden geleden. De rechtbank veroordeelde hen tot betaling van de kosten van het verweer, begroot op nihil.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 28 november 2022.